Deze uitspraak is procesrechtelijk van belang, omdat de Raad van State in deze uitspraak in combinatie met ABRvS 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:363 heeft bepaald dat hij de zogenaamde ‘grondentrechter’ alleen nog in omgevingsrechtelijke zaken zal toepassen, maar niet meer in andere zaken. Deze procesrechtelijke ‘grondentrechter’ houdt in dat de Raad van State in hoger beroep geen gronden beoordeelt die de appellant redelijkerwijs al bij de rechtbank naar voren had kunnen brengen, maar daar niet naar voren heeft gebracht. In deze zaak was verder onder meer in geschil of de omgevingsvergunning gelet op het Verdrag van Aarhus en HvJEU 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7 met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht had moeten worden voorbereid. Ook was onder andere in geschil of een milieueffectrapport (MER) had moeten worden opgesteld. De Raad van State heeft de uitspraak van de rechtbank en de omgevingsvergunning in stand gelaten.