Een transportonderneming uit Oostenrijk en Duitsland vervoert binnen de EU in opdracht van klanten nieuwe voertuigen door chauffeurs met de voertuigen op hun eigen wielen over de weg te laten rijden. De voertuigen zijn daarvoor voorzien van Oostenrijkse en Duitse handelaarskentekens. Handelaarskentekens worden gebruikt om tijdelijk te rijden met voertuigen die nog niet op naam zijn gesteld. Dit gebruik van buitenlandse handelaarskentekens is op grond van de Wegenverkeerswet 1994 verboden. De transportonderneming vordert een verklaring voor recht dat de betreffende bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 wegens strijd met (onder meer) het vrije verkeer van goederen en het Handvest van de grondrechten van de EU ten aanzien van haar buiten toepassing moeten blijven en een verbod voor de Staat om strafrechtelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen tegen haar te treffen. Het Hof Den Haag heeft een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU gesteld over de uitleg van het vrije verkeer van goederen.